|
KUNST in SPANJE
Spanje vormt een geheel van verschillende
culturen die behoren tot beschavingen die in de loop der eeuwen het Iberisch
grondgebied bevolkt hebben. De historische erfenis wordt gevoed uit de
verscheidenheid van dit mozaïek, de rijke schakeringen hiervan en het
samensmelten van de verschillende bijdragen. De grote cultuur-en kunststromingen
hebben ook in ons land de uitdrukking van een geheel eigen scheppend talent
gekregen, dat van grote universele betekenis is.
De oorspong.
De grot van Altamira (Cantabrië) en de
rotsschilderingen die ongeveer 15.000 jaar geleden gemaakt werden is de
bekendste van een archeologisch geheel dat rijk is aan vindplaatsen en grotten.
Torens, altaren en grafkamers uit de bronstijd zijn bewaard gebleven in Menorca,
en op andere plaatsen in Castilië en aan de oostkust zijn de eerste voorbeelden
van Iberische kunst uit de ijzertijd gevonden (Toros de Guisando, Dama de
Elche).
De Feniciërs, aangekomen via de Middellandse Zee, stichtten kolonies en lieten
sporen van hun cultuur achter aan de Andalusische kust (Adra, Cádiz), aan de
oostkust (Cartagena) en op Ibiza. De Grieken stichtten hun kolonies op bepaalde
punten aan de oostkust (Ampuries, Roses), maar de Romeinse verovering van het
Schiereiland in 218 v.C. betekende de intocht van een krachtige beschaving.
De romantisering was zo diepgaand dat Spanje keizers,
intellectuelen en militairen zou inbrengen, terwijl het land een erfenis aan
grote infrastructuren en openbare werken verkreeg (geplaveide wegen, mijnen,
steengroeven, aquaducten, bruggen) alsmede talrijke steden (Tarragona,
Barcelona, Mérida) waar deze erfenis nog steeds bewaard is gebleven (thermen,
baden, theaters, renbanen). Ook zijn de ruïnes van veel andere plaatsen nog te
vinden in Cuenca, Soria, Sevilla, Málaga. De musea van Mérida en Tarragona
zijn fundamenteel vanwege hun uitgebreide collecties.
De invasies van de volkeren uit het noorden, die een einde maakten aan het
Romeinse Keizerrijk, hebben in Spanje een vruchtbare cultuur geschapen: de
visigotische cultuur, gevestigd in Toledo, dat het belangrijkste
verbreidingspunt vormde.
De Middeleeuwen:smeltkroes van culturen. De komst van
de Arabieren in het jaar 711 en hun voortdurende aanwezigheid in de acht daarop
volgende eeuwen, heeft een sprankelende beschaving tot leven gebracht die een
formidabele brug vormde tussen Oost en West. De invloed van
de Islam was zo diepgaand dat zelfs de
christelijke stijl hiervan doortrokken raakte en twee eigen stijlen kreeg: de
mozarabische stijl, oftewel die van de christelijke minderheden, en de
mudejarstijl van de Arabische minderheden. De kunstuitingen van de joodse
gemeenschap, de derde cultuur in de smeltkroes van het Spaanse land gedurende
verscheidene eeuwen, zouden die van de Islam ook gaan benaderen. De jodenwijken,
rituele badplaatsen en synagogen (Tránsito en Santa María la Blanca in Toledo,
die van Córdoba) zijn hier uitgesproken voorbeelden van.
De christelijke cultuur zou aanleiding geven tot het
ontstaan van de Romaanse kunst in het spoor van de Weg van Santiago (San Martín
de Fromista, San Isidoro de León, kathedraal van Santiago) en tot de latere
ontwikkeling hiervan door byzantijnse (Zamora) en Franse invloeden (Catalonië).
Kastelen en kloosters geven uitdrukking aan een periode die in de tijd van de
kathedralen zijn esthetische hoogtepunt zou bereiken. In de XIIIe en XIVe eeuw
werd vooral de voorkeur gegeven aan de gotische stijl, waarvan in Burgos,
Toledo, León, Palma en Girona de meest betekenisvolle voorbeelden zijn terug te
vinden in hun religieuze bouwwerken. Bij het bereiken van de XVe eeuw heeft de
met ornamenten overladen gotische stijlvariant belangrijke bouwwerken opgeleverd
zoals bijvoorbeeld de kathedraal van Sevilla, de Hospitales Reales van Santiago,
Granada en Toledo, het klooster van San Juan de los Reyes (Toledo) en het
Palacio del Infantado (Guadalajara).
De islamitische kunst zou in de Xe eeuw, tijdens de Kaliefperiode, tot de
grootste bloei komen. De moskee van Córdoba
en de dichtbijgelegen paleisstad Medina Azahara
zijn de beste voorbeelden van deze kunst. Uit de Taifaperiode (XIe eeuw) stammen
de citadel van Málaga en de Aljafería van Zaragoza; uit de daarna volgende
Almohadeperiode dateren de Giralda en Torre del Oro in Sevilla. De Nazaríkunst,
in het kleine koninkrijk Granada, zou in de XIVe en XVe eeuw prachtige
voorbeelden voortbrengen van de toen heersende ornamentele smaak, met als
onbetwist hoogtepunt het geheel aan bouwwerken dat het Alhambra van Granada
vormt en de bijbehorende tuinen van de Generalife.
De ontdekkingen en de Gouden Eeuw.
De ontdekking van Amerika (Archivo de
Indias de Sevilla) en de humanistische Renaissance die de inspiratiebron vormt
van een bepaalde stijl, het plateresk, die gebaseerd is op klassieke vormen,
hebben enkele schitterende voorbeelden uit de XVIe eeuw achtergelaten zoals de
gevel van de universiteit van Salamanca, de kathedraal en het paleis van Karel V
te Granada en, in de sobre stijl van Herrera, het klooster van San Lorenzo de El
Escorial.
Schilders als Morales en El Greco en beeldhouwers als Berruguete zouden de
voorlopers zijn van wat later bekend werd als de Spaanse Gouden Eeuw (XVIIe
eeuw) vanwege de universele bijdrage van de fantasierijke beeldhouwers (Gregorio
Hernández, Martínez Montañés, Francisco Salzillo) en schilders (Diego
Velásquez, Zurbarán, Ribera, Murillo) uit die tijd.
De barokke verheerlijking werd door middel van de koloniale kunst in Amerika tot
uitdrukking gebracht (Mexico, Cuzco, Lima, La Habana) en liet in Spanje werken
van ongekende schoonheid achter zoals de koninklijke paleizen van La Granja,
Aranjuez en Madrid.
Aan de poort van de moderne tijd.
Terug bij het neo-classicisme; in deze
tijd kwamen werken tot stand zoals het Pradomuseum te Madrid en verscheen de
geniale schilder Francisco de Goya, een ware voorganger van de huidige
schilderkunst. De veelheid aan stijlen in de XIXe eeuw komt tot rust bij de
romantiek met de in die tijd heersende voorkeur voor historische en
zedenschilderingen (Benlliure, Sorolla). De verschijning van het modernisme in
de laatste jaren van de eeuw zou een geniale vernieuwing betekenen aan de hand
van de Catalaan Antonio Gaudí (Sagrada Familia, Parque Güell te Barcelona).
De avant-garde van de XXe eeuw zou in de uit Malaga afkomstige schilder Pablo
Ruiz Picasso een universeel genie vinden, terwijl Salvador
Dalí en Joan Miró sleutelfiguren zouden worden in het surrealisme
en de abstracte kunst. De Spaanse bijdrage aan de kunst van de laatste decennia
van de hand van uitnemende figuren uit de architectuur (Sert, Bofill,
Calatrava), schilderkunst en beeldbouwkunst (Tàpies, Antonio López, Barceló,
Chilida) die werken met een sterke individuele persoonlijkheid hebben
opgeleverd.
|